| # | inventaris | item | datum |
|---|---|---|---|
| 2821 | DC.1/57.0.0 | Scheiding en deling van de nalatenschap van Josephus de Coninck, zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). Deze erfenis was opgedeeld in 3 verschillende kavels die vervolgens toegewezen werden aan Jacobus Henricus Claessens (zwager), Egidius de Coninck (broer) en Ludovicus Franciscus de Coninck (broer). De liggende gelden werden beheerd door de bankiers/kassiers Pedro Baut (1650-1736) en Jan Baptist Cogels (1663-1734). | 16-06-1717 12-12-1717 |
| 2822 | DC.1/58.0.0 | Testament van de zieke en bedlegerige Jan Carel de Coninck, zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698), waarin de testateur zijn moeder tot universele erfgename aanduidde. Het testament werd opgemaakt door de Antwerpse notaris Guillian Van Bredael in aanwezigheid van de getuigen Jan Blangh en Jaspar Rossem. | 22-05-1694 22-05-1694 |
| 2823 | DC.1/59.0.0 | Licentiaatsdiploma in de rechten, opgesteld in het Latijn, dat door de Leuvense universiteit werd uitgereikt aan Egidius de Coninck (1669-ca. 1740), de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). | 11-06-1692 11-06-1692 |
| 2824 | DC.1/60.0.0 | Schuldbekentenis (N° 7577) vanwege de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia (1717-1780) ten aanzien van Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). In 1742 stonden de Staten van het graafschap Henegouwen aan de Oostenrijkse regering, die in de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigd werd door de landvoogd Friedrich August graaf von Harrach-Rohrang (1696-1749), een lening toe van 500.000 gulden, die deels werd gedragen door de adel. Ook Egidius de Coninck stond een deel van zijn vermogen af en ontving hiervoor een jaarlijkse intrest van 5% (220 gulden), die hij kon opstrijken bij de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) te Antwerpen. Zijn zoon Jacob Albert Dormer, tevens het neefje van Egidius de Coninck, werd na de dood van zijn oom de nieuwe begunstigde. Deze akte werd ondertekend door notaris P. Cools. | 15-02-1743 15-02-1743 |
| 2825 | DC.1/61.0.0 | Schuldbekentenis (N° 7578) vanwege de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia (1717-1780) ten aanzien van Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). In 1742 stonden de Staten van het graafschap Henegouwen aan de Oostenrijkse regering, die in de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigd werd door de landvoogd Friedrich August graaf von Harrach-Rohrang (1696-1749), een lening toe van 500.000 gulden, die deels werd gedragen door de adel. Ook Egidius de Coninck stond een deel van zijn vermogen af en ontving hiervoor een jaarlijkse intrest van 5% (200 gulden), die hij kon opstrijken bij de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) te Antwerpen. Zijn zoon Jacob Albert Dormer, tevens het neefje van Egidius de Coninck, werd na de dood van zijn oom de nieuwe begunstigde. Deze akte werd ondertekend door notaris P. Cools. | 15-02-1743 15-02-1743 |
| 2826 | DC.1/62.0.0 | Schuldbekentenis (N° 7579) vanwege de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia (1717-1780) ten aanzien van Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). In 1742 stonden de Staten van het graafschap Henegouwen aan de Oostenrijkse regering, die in de Zuidelijke Nederlanden vertegenwoordigd werd door de landvoogd Friedrich August graaf von Harrach-Rohrang (1696-1749), een lening toe van 500.000 gulden, die deels werd gedragen door de adel. Ook Egidius de Coninck stond een deel van zijn vermogen af en ontving hiervoor een jaarlijkse intrest van 5% (200 gulden), die hij kon opstrijken bij de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) te Antwerpen. Zijn zoon Jacob Albert Dormer, tevens het neefje van Egidius de Coninck, werd na de dood van zijn oom de nieuwe begunstigde. Deze akte werd ondertekend door notaris P. Cools. | 15-02-1743 15-02-1743 |
| 2827 | DC.1/63.0.0 | Aanvraag, goedkeuring en kwitantie betreffende de eigendomsoverdracht van een kapitaalrente van 25.000 gulden ten laste van het Land van Aalst, die toekwam aan Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). De resterende som van 14.166 gulden en 13,25 stuivers berustte bij Egidius' broer Ludovicus Franciscus de Coninck, die optrad als testamantair executeur, en werd nagelaten aan zijn neefje Jacob Albert Dormer, het enige kind van de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) en wijlen Maria Magdalena Emtinck. Joannes Walckiers d'Oostwinckel, ambtenaar van de leden van de provincie Vlaanderen, stond in voor de uitbetaling van de intrest. Op 26/01/1743 werd de eigendomsoverdracht voorgelegd aan de gewezen burgemeester en Antwerpse schepen Carel Josephus della Faille, waarna een consent volgde op 20/02/1743. | 26-01-1743 20-02-1743 |
| 2828 | DC.1/64.0.0 | Aanvraag, goedkeuring en kwitantie betreffende de eigendomsoverdracht van een kapitaalrente van 25.000 gulden ten laste van het Land van Aalst, die toekwam aan Egidius de Coninck, de zoon van de Antwerpse koopman/bankier Johan de Coninck (1619-1684) en diens tweede vrouw Helena Chauvin (1641-1698). Deze liet de kapitaalrente vervolgens na aan zijn neefje Jacob Albert Dormer, het enige kind van de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758) en wijlen Maria Magdalena Emtinck. Zo verzocht zijn vader en testamentair voogd om de uitbetaling van twee lijfrenten van 12.000 en 3.000 gulden, die deel uitmaakten van het belegde kapitaal van 25.000 gulden. De goedkeuring daartoe werd gegeven door de gewezen burgemeester en Antwerpse schepen Carel Josephus della Faille, waarna de desbetreffende sommen werden uitbetaald door Ludovicus Franciscus de Coninck, die het sterfhuis van zijn broer Egidius beheerde. | 05-07-1742 11-08-1742 |
| 2829 | DC.1/65.0.0 | Kwitantie, goedgekeurd door de Antwerpse schepenen Franciscus Pires en Ludovicus Ferdinandus Josephus de Villegas, aangaande een legaat van 100.000 gulden van Egidius de Coninck aan de nakomelingen van zijn zuster Maria Magdalena de Coninck en Eduardus Emtinck, te weten: Anna Helena Emtinck (gehuwd met wachtmeester Carolus Josephus Roose), Catharina Theresia Emtinck (gehuwd met ridder Carolus Josephus van Colen, heer van Boechout), Isabella Emtinck (begijn te Antwerpen) en Jacob Albert Dormer, de zoon van wijlen Maria Magdalena Emtinck en de (staats)bankier/verzekeringsagent James Dormer (1708-1758). De legaten werden allen door de erflater afgesloten in 1719 voor de Antwerpse notarissen Theodoor van Merlen en Peeter Gerardi en zouden worden uitbetaald door Egidius' broer Ludovicus Franciscus de Coninck, die als testamentair executeur het sterfhuis beheerde. | 21-11-1740 21-11-1740 |
| 2830 | DC.1/66.0.0 | Kwitantie van 854 ponden, 3 schellingen en 3 Vlaamse groot, die Ludovicus Franciscus de Coninck van zijn broer Egidius de Coninck had ontvangen na diens deelname aan de Londense loterij. | 16-01-1710 16-01-1710 |